Onbegrepen gedrag begrijpen: inzicht in 112-meldingen – afstudeeronderzoek Nele Lentink
De afgelopen jaren is het aantal meldingen rondom personen met onbegrepen gedrag sterk toegenomen. In 2024 kwamen er landelijk bijna 150.000 van dit soort meldingen binnen bij de politie – een stijging van ongeveer 300 procent in tien jaar. Niet alleen het aantal groeit, maar ook de complexiteit van deze situaties neemt toe.
Een groot deel van de meldingen komt binnen via 112, terwijl er niet altijd sprake is van een acute of levensbedreigende situatie. Hierdoor belanden meldingen vaak eerst bij de meldkamer en de politie voordat ze bij de juiste zorginstantie terechtkomen. Dit zorgt voor extra druk op de politie en kan passende hulp vertragen.
Opvallend is dat een groot deel van de meldingen die uiteindelijk bij het Meld- en Adviespunt Bezorgd (MAB) terechtkomen, eerst via de politie loopt. Deze omweg maakt de route onnodig langer en benadrukt het belang van een directe en passende meldroute.
Onderzoek naar meldgedrag
Nele Lentink heeft tijdens haar afstudeerstage bij Dienst Regionaal Operationeel Centrum (DROC) Midden-Nederland en GGD regio Utrecht onderzocht hoe dit meldgedrag ontstaat. Het doel was te begrijpen waarom mensen in dit soort situaties vaak voor 112 kiezen en wat er nodig is om meldingen sneller bij het juiste meldpunt te laten landen.
Uit het onderzoek blijkt dat mensen in onzekere of stressvolle situaties vooral handelen vanuit een gevoel van urgentie. Bij twijfel nemen zij nauwelijks de tijd om afwegingen te maken en grijpen zij naar het meest bekende en betrouwbare kanaal: 112.
Stress vergroot de kans op intuïtieve keuzes en verkleint de bereidheid om alternatieven te overwegen. Dit betekent dat gedrag op dat moment lastig te beïnvloeden is. Bekendheid en vertrouwen spelen daarin een belangrijke rol. Wanneer mensen niet goed weten wat een meldpunt doet of wat zij kunnen verwachten, kiezen zij sneller voor de ‘veilige’ optie. Alleen informatie aanbieden over meldroutes blijkt vaak onvoldoende om gedrag te veranderen: mensen moeten het gevoel hebben dat zij op het juiste moment de juiste keuze maken. Het vraagstuk gaat dus niet alleen over bereikbaarheid van meldpunten, maar vooral over zichtbaarheid en vertrouwen.
Om meer inzicht te krijgen in wie er melden en wat er speelt op het moment van bellen, heeft Nele honderd 112-meldingen teruggeluisterd. Daaruit blijkt dat personen met onbegrepen gedrag zelf de grootste groep melders vormen, gevolgd door bezorgde omstanders en familie of naasten. Dit laat zien dat meldingen niet alleen over iemand worden gedaan, maar ook vaak door mensen die zelf hulp of ondersteuning zoeken.
Omdat personen met onbegrepen gedrag en hun naasten lastig direct te betrekken zijn in onderzoek, richtte Nele zich in dit onderzoek op bezorgde omstanders. Binnen deze groep spelen actieve burgers een belangrijke rol: zij melden vaker, nemen sneller initiatief en spreken eerder anderen aan. Daarom vormen zij een logische eerste doelgroep voor interventies.
Ontwikkeling van kenniskaarten
Op basis van deze inzichten ontwikkelde Nele fysieke kenniskaarten met korte, herkenbare praktijksituaties rondom onbegrepen gedrag. Deze kaarten helpen inwoners om in een rustige setting te oefenen met het inschatten van situaties en het maken van een passende keuze. De concrete voorbeelden geven mensen meer gevoel bij het verschil tussen acute en niet-acute situaties.
Voor het testen en doorontwikkelen van deze interventie heeft Nele zich gericht op actieve burgers in het Huis van Actief Burgerschap in bibliotheek Neude in Utrecht. Dit is een plek waar betrokken inwoners samenkomen om ideeën uit te wisselen en initiatieven te ontwikkelen, en daarmee een passende plek om de ontwikkelde kenniskaarten te toetsen.
Het doel van de kenniskaarten is om mensen vooraf meer houvast te geven, zodat zij in een daadwerkelijke situatie sneller en gerichter kunnen handelen – niet door meer meldingen te genereren, maar door bij twijfel beter te kunnen inschatten wat passend is. Dit helpt om onnodige omwegen in de meldroute te voorkomen.
De kenniskaarten en het bijbehorende implementatieplan zijn inmiddels overgedragen aan de kenniswerkplaats SOMO, met als bedoeling om deze verder in de praktijk te testen en door te ontwikkelen.
